dinsdag 26 september 2017

In bed met … Agnetha Fältskog




Schoolreisjes met autocars. Het is iets als opgelegde haring in aardbeisaus. Vierenvijftig uitgelaten tieners die in een warme muffe bus met aangedampte ruiten gaan zitten, dolblij om die vrijdag aan de saaie schoolbank te ontsnappen.
Moet hommeles van komen. Niet alleen elleboogstoten, trek –en sleurwerk, ruzies over wie aan het raam mag zitten. En wie bij wie om te kaarten of te kwartetten. Kwartetten. Nog eens: kwartetten. De uitvinder van het kwartetspel had er geen benul van tot welke bijzonder flauwe, doch bij autobusgebruikende tieners fors geapprecieerde woordspelingen de naam van zijn uitvinding heeft geleid. 
De uitgelaten menigte houdt van goedkoop autobusplezier.

Ik niet. Met een sissend geluid draait de deur van de bus open. Het is een Volvo, dat staat op de flank geschreven maar het is niet meteen het nieuwste model. Reeds bij het opstappen van de tweede trede kruipen de gedurende vele jaren in de kussens opgeslagen lichaamsgeuren mijn neusgaten binnen.
Sebum meets okselzweet meets zweetvoeten. Het bijna ultrasoon gedreun van de Volvo diesel waarvan de uitlaatgassen via de dakraampjes binnen komen en het gezwalp van het gevaarte tot we op de snelweg zitten, vormen een aanslag op mijn maag.
Daarom voel ik mij een paria, alle anderen zitten te kaarten of luidruchtige verhaaltjes te vertellen over hun idiote zussen. Mijn gedachten beperken zich tot het onder controle houden van mijn met Ovomaltine gevulde ingewanden en een wanhopig ‘Hoe kom ik hier zo snel mogelijk weg’. Een ongelijke strijd.
   
Antoine zit naast mij. Nog zo’n paria zij het niet om de busziekte maar om zijn bijzonder kleverige handen en gigantische okselvijvers die iedere dag weer zichtbaar worden in zijn foute geruite hemden uit de C&A. Niet compatibel met kwartetten, is dat. Nu ja en ook een beetje omwille van wat traagheid in het begrijpen van schuine grappen en zijn goede punten voor godsdienst wordt hij gemeden als de pest. Beetje raar gezin ook waar hij uit voortkomt maar dat kan je net zo goed van mij zeggen.

Ik heb namelijk een zus met een lel. Yip, je leest het goed: een lel. Ze is eerder ingebeeld, une lelle imaginaire, maar Zus staat uren voor de spiegel terwijl ze aan het stukje lossere huis tussen haar kin en hals trekt.
‘Ma, zie ne keer nu, ik heb een lel’ klaagt ze.
‘Ach nee, dat is toch geen lel, dat is toch normaal dat uw vel daar een beetje losser zit’ antwoordt Ma.
Al snel ben ik erin gespecialiseerd om nietsvermoedend de woonkamer binnen te fluiten en plots totaal verrast naar Zus te kijken terwijl ik De Vraag stel: ‘Ola, wat hebt gij daar onderaan uw kin hangen?’ waarna Zus huilend de keuken inloopt en Ma voor de rest van de dag niet meer tegen mij spreekt.

Terug naar de Zweedse miseriebus waarmee we intussen door Antwerpen zwalpen. Gezien de striemende regen beslissen de leraars dat we de rest van de Antwerpse haven op een andere keer zullen bekijken. Om toch iets van de dag te maken, trakteren ze ons op gebakken sardines bij het Portugese restaurant waarop in grote letters ‘Sardinhas’ staat en dat als enige bereid is om een groep hyperkinetische tieners te ontvangen.
Te gek. Ik betwijfel of mijn buszieke ingewanden bestand zijn tegen vette vis maar volgens een van de leerkrachten zal ik mij beter voelen na wat gegeten te hebben.
Een uur en zes sardines later zit ik vol spanning braaf naast Antoine te wachten tot iedereen aan boord is van de bus die nu ook nog eens naar gebakken sardines ruikt. We worden geteld en daarbij legt de tellende leerkracht zijn hand op mijn hoofd. Aaargh, hatelijk is dat. Net zoals de paters van het college die tijdens de speeltijd in mijn arm komen knijpen terwijl ze de vraag stellen ‘En knaap, hoe gaat het met uw ouders’. Ze moeten dringend hun neushaar bijknippen maar er is niemand om hen daar attent op te maken.
  
De chauffeur start de motor en duwt zijn lievelingscassette in de speler in een poging de tienerklanken te overstemmen.
Abba. Dancing Queen. De hele bus danst op en neer, links en rechts op de kasseistroken van de Scheldekaaien. Ik hou niet zo van Abba en zeker niet in combinatie met gebakken sardines en een slingerende Zweedse bus met aangedampte ruiten.

Oempf. Kruibeke. Nog net mijn middenrif onder controle kunnen houden. Die verdomde tegendraadse rotvissen proberen uit alle macht mijn maag te verlaten wat hen nog net niet lukt dankzij mijn wilskracht.
Antoine stelt mij een vraag in Sint Niklaas. Langzaam draai ik mij in zijn richting maar in plaats van een antwoord, komt er een straal half verteerd bruin sardinevet uit mijn mond gespoten. Recht op zijn blocnote met alle aantekeningen die hij met zijn ijverige plakhandjes gedurende de busrit noteerde. Er zitten ook spetters op zijn rood-groen geruit dralon hemd met korte mouwen. Hij kijkt mij wanhopig aan. Is dit echt en wat moet ik nu doen?
Terwijl de buschauffeur mij in zijn achteruitkijkspiegel vol afgrijzen aankijkt, stommel ik naar voor op zoek naar frisse lucht en de uitgang. 

De busrit van Antwerpen naar Aalst ligt helaas bezaaid met bochten. Temse, Elversele, Dendermonde en het kerkplein van Oudegem zijn allen plaatsen die ik rijkelijk markeer met overblijfselen van sardines steeds gevolgd door een daverend applaus van de voltallige inhoud van de bus.

Vanaf Gijzegem krijg ik het onbehagelijk gevoel van koorts over mij heen. Koude rillingen en zweten tegelijkertijd. Gloeiende wangen. Mijn ogen vallen toe van ellende maar dat is nefast voor de feestvreugde want na een z-bocht in Hofstade moet ik alweer in allerijl van de bus om nodig een stukje berm onder te kotsen.
Eindelijk stoppen we voor de schoolpoort van het college in Aalst. Diverse ouders staan klaar met hun wagen om de kroost te recupereren maar niemand is geneigd om mij een lift te geven. Het is niet zonder risico om een tiener met kotsneigingen tijdig te evacueren uit een BMW 525i of een tweedeurs Chevrolet Camaro. Dat wordt dus twee kilometer stappen naar huis, weliswaar in de frisse lucht maar toch ook wel in de gietende regen.
   
Wanneer ik thuiskom, staat Zus net voor de spiegel. Ma ziet in welke belabberde toestand ik ben. De canapé wordt tot bed omgetoverd, ik heb 39° koorts en mag naar Avro’s Toppop kijken met Ad Visser. Op nummer één staat Abba met ‘Dancing Queen’, kondigt de breedgrijnzende Ad aan en er volgt een videoclip waarbij mijn door testosteron gestuurd brein vooral de beweeglijke ronde heupen van Agnetha opvalt.
Het is de herfst van 1976.

Jan Stephorst 

vrijdag 15 september 2017

Ressegem




In onze onverwarmde slaapkamer lig je met je blote rug naar mij. Slaap is de geur die de kamer verwarmt, ik zie door de stores van het raam de eerste oranje gloed die probeert binnen te vallen en als een dief aan de rode lakens trekt.
De ochtend neemt jou straks als eerste mee. Maar nu nog even niet, ik leg me tegen jou aan, je maakt lieflijke geluidjes. Ik ruik aan je haar dat warrig op het kussen valt.
Veel hebben we niet, enkel dit eenvoudige landhuisje met twee slaapkamers, twee katten – Maurice en Georgette - en onze twee verliefde harten. Jan en Els, de kinderen van onze buren voor wie we soms pannenkoeken bakken, zijn er ook nog. Ze zijn dan door het dolle heen, lopen de gang luidruchtig op en neer tot in het tuintje waar onze poezen zich trachten te verbergen voor al dat jeugdig geweld. Jan is zes en Els acht. 

De stad komt er al lang niet meer aan te pas. We hebben ons teruggetrokken, weg van alle hippe koffiebars, van de bakfietscultuur, van het drukke verkeer, de overbevolkte winkelstraten, the places to be. In de plaats is café De Welkom gekomen waar Rosa's permanent purper kleurt in de spiegel terwijl ze pintjes tapt. 
Achter de kouter raast de trein voorbij van Zottegem naar Denderleeuw maar daar valt mee te leven. Neen, hoge eisen stellen we niet meer, de houten ramen en deuren van het huis zijn oud maar goed. De olijfgroen geschilderde trap kraakt zoals een trap hoort te kraken. De vuilblauwe keuken geurt naar soep en thee en het derde rode tegeltje van rechts in de gang ligt al een eeuwigheid los. Niemand die het stoort.
Soms als ik alleen ben thuis en alle koperen en houten klanken zijn uitgestorven, hoor ik de stilte van het huis.
  
We leven op de maat van de seizoenen, vanaf april onze dagelijkse wandeling in de kouter om de problemen van de dag te verjagen.
In mei en juni eten we buiten met onze planten en dieren om ons heen, in juli een dag naar zee met Els en Jan waarna ze als zandmannetjes met elk een zak schelpjes in de hand terug naar huis keren. De vijgen in onze tuin worden rijp, het is augustus en we kunnen er niet genoeg van eten dus ben jij op een dag in de weer met grote kookpotten. Vanaf onze grote driehoekige ladder pluk ik de laatste hoogrijpe vijgen. De hele keukentafel staat vol met glazen potjes om de vijgenconfituur in te bewaren. Als tussendoortje probeer ik een recept uit van gemarineerde vijgen in de oven met parmaham en kaas. Als tussendoortje kom jij mij lachend een zoen geven. Ik leg mijn armen rond je ronde heupen. Je gilt. Kom hier mijn vijgenmeisje voor een stevige knuffel.

Met september komt de kilte, het duister rond half negen en de eerste pompoensoep die we nog wel buiten opeten maar toch al met een dikkere trui of een sjaal aan. De tijd van de spinnen die koortsachtig naar prooien en warmte zoeken, dauw in hun schrale webben.
Oktober tracht ons met zachte hand naar binnen te lokken, de zomer is voorbij en de paden langs de kouter liggen nu vol bladeren. Je ruikt het rot en de schimmel bij elke stap en er verschijnen her en der paddenstoelen.
De warmte komt nu vooral van ons, als we dicht tegen mekaar aan lopen, wanneer je je lange wollen sjaal lachend ook rond mijn hals legt en je geur mij helemaal vult. Ik moet nog hout halen voor onze kachel, genoeg om de winter door te komen. Eerst trek je me tegen je aan en we zoenen als een koppel dat mekaar nog maar een dag kent ook al zijn we reeds tien jaar samen. 

De donkerste dagen komen we door met veel kaarslicht en warmte van de houtkachel. De poezen liggen languit op onze schoot terwijl de gure wind om het huis raast. Er hangt een lapje voor de gleuf van de brievenbus in de voordeur. Als ik ’s ochtends in de kou en het duister van het erf afrij om je naar het station te brengen waar je die Zottegemse trein neemt, zie ik de bevroren kouter in het licht van de koplampen schitteren. 

In januari sta je bij het raam, het is koud en het regent. Zullen we in bed kruipen onder een stapel dekens? We schudden het druilen van ons af en we vrijen tot de condens op de ruiten staat. De avond neemt ons mee, het verleden en de toekomst, we staan er middenin. Les jeux sont faits, rien ne va plus en zonder liefde is er geen reden om te leven. 

In de straat van Ressegem naar Aaigem, net achter een flauwe bocht naar links daar wonen wij. Een huis in rode baksteen met witte voegen, toegegeven, er staat weinig gras op de oprit die doodloopt op de schuur waar twee oude vrienden staan. De oude Citroën en de camper waar we weekendjes mee uitvliegen. Ik zie je lokken dansen in de stormwind bovenop de Franse kliffen of bij de Zeelandbrug.
Verder hoeft niet, er is geen nood meer om andere continenten te verkennen en te lang in een vliegtuig te vertoeven. Douane, check, shampoo in de vuilbak, douchegel in de vuilbak. Dan zet ik liever een plaat op met bossa nova waarop je spontaan de samba begint te dansen. Een Ressegemse samba.

Of dansen in de tuin onder de lampionnen van eik tot vijgenboom gespannen, kaak tegen kaak. Wat een gedemodeerd plezier.  
Jan Stephorst

maandag 3 juli 2017

In bad met ... Mireille Mathieu




Er was een tijd dat Broer rebels was. 

Dat begon ooit met een stiekeme sigaret in zijn slaapkamer. 
Of beter: in mijn slaapkamer. Ik beschouw de jongenskamer in ons ouderlijk huis namelijk als mijn kamer omdat hij reeds enige tijd niet onder stoelen of banken steekt dat hij het muffe uit kleinburgerlijkheid opgetrokken oudernest wil verlaten om al sigaretten rokend en gitaar spelend de wijde wereld in te trekken.

Aangezien hij op die manier nu reeds feitelijk afscheid neemt van zijn claim op de jongenskamer, beschouw ik zijn erfenis als een uitstaande schuld die ik spoedig zal innen.
Hoewel, het gitaarspel vlot onvoldoende om er op korte tot middellange termijn werkelijk een fulltime bezigheid van te maken. Mede door de stijgende prijs der sigaretten, vat hij het idee op om toch maar eerst te gaan studeren.
Op een regenachtige straathoek ‘Angie’ staan kwelen terwijl geen hond naar je omkijkt, voelt toch iets comfortabeler aan als je ook nog een diploma  ‘Licentiaat in de Rechten’ op zak hebt waarmee je op maandagochtend net zoals dat andere miljoen loonslaven kan zorgen op een min of meer gevulde portefeuille bij het begin van elke maand. 

Duren dat het doet, dat studeren. Eerst naar de UFSAL , de Universitaire Faculteiten Sint Aloysius zoals het uit zijn voegen barstende schooltje te Koekelberg zichzelf in alle hoogmoed heet.  De voorwaarde van Papa Bourgeois is dat Broer een instituut kiest met een ‘Sint' in de naam.  
Na jarenlange prostitutionele acties en katholiek geïnspireerd geschurk bij de KUL, mag de UFSAL zich dan toch KU Brussel heten.

Maar nog niet in de tijd van Broer, de tijd van de trenchcoat, de opkomst van de aktetas en bijgeknipte lange haren die Broer er steevast laten uitzien als Mireille Mathieu met een snor.  Ah ja, natuurlijk een snor om toch maar het onderscheid te maken met de echte Mireille Mathieu aangezien de zangeres in kwestie (althans toch niet publiekelijk) over generlei permanente bovenlipbeharing beschikt. 

‘Eens het diploma op zak, kan hij zijn haar zo lang laten groeien tot iedereen denkt dat hij  Nana Mouscouri is’,  zegt papa Bourgeois. Nana Mouscouri met een snor dan weliswaar.
Vervolgens mag hij van papa ‘Angie’ kwelen  op de hoek van bijvoorbeeld de Kattestraat te Aalst. Of neen, naar dat enge provinciale nest zou hij nooit meer terugkeren uit angst om alweer met zijn jongere broer een kamer te moeten delen. 

Maar zover zijn we nog lang niet want het feit dat hij uit een gezin komt waar vader bij de Nationale Maatschappij der Belgische Stoorwegen werkt, maken elk plan om een proper of vuil kot te huren in Brussel absurd duur. Het spoorabonnement is gratis voor de opgeschoten spermacellen der spoorlieden.
Bovendien bevindt Aalst zich in de jaren zeventig slechts op twintig spoorminuten van Brussel, wat heden ten dage niet meer het geval is. 

Toch komt eindelijk de dag waar ik zo naar uitkijk, de dag dat ik bevrijd ben van de besnorde Mireille Mathieu die honderd sigaretten per avond rokend tien keer ‘Angie’ met het verkeerd akkoord inzet. Het is de dag dat Broer naar Leuven moet verhuizen om de laatste drie jaar van zijn bekakte opleiding af te maken.

Joepieee.

Ervan af.

D-Day!

De kamer helemaal voor mij alleen. Het kot is gevonden en betaald, het gratis spoorabonnement opgezegd en de gitaar reeds stevig ingepakt.  
Het is uit met Angie! Lola, de transseksuele sloerie heeft haar plaats ingenomen.  De relatie met Broer is echter nog zeer pril en beperkt zich tot ‘deng, deng, dededededeng dedeng deng’ waarna het gitaarspel ondanks verwoede twijfelachtige doch foute verderzettingen verstomt. 

De gitaar is overigens volgens de Broerse Bijbel het enige muziekinstrument ter wereld waar alles om draait. Bij het inladen van zijn platencollectie merk ik toch dat zelfs de bijbelse gitaarsmaak van Broer enig verval vertoont.

Een plaat van Styx??

 The Eagles, daar kan een mens nog mee leven en laat ons ook bidden voor Deep Purple maar Styx … 

Wat zullen we ervan onthouden? Ik kan mij dertig jaar later nog steeds geen enkel nummer voor de geest halen waarbij ik na enige seconden dan wel minuten denkwerk spontaan opveer en  juich: ’Natuurlijk, dat is Styx’.
Ze hebben geen enkel artefact in het geheugen gegrift. Geen naam van een bandlid dat later beroemd werd, geen melodietje om spontaan op een donkere dag te neuriën, zelfs geen memorabel kapsel wat van iemand als pakweg Mireille Mathieu toch wel kan gezegd worden. 

Kiss is als groep pure horror en ik moet ook al de achterkant van mijn schedel afschrapen om mij nog iets voor de geest te halen op muzikaal vlak maar bij Kiss denk je natuurlijk meteen aan de beschilderde tronies die eigenlijk dankzij de sponsoring van een fabrikant van verfproducten nog enigszins beter af waren dan in de realiteit waar ze nog lelijker in rondliepen dan op het podium. 

Maar de dagen van Styx en ook van The Eagles zijn geteld en we kunnen alweer opgelucht ademhalen dat Broer de kamer niet binnenstormt terwijl ik net een plaat van Booker T & the MG’s  opzet. Soul is muziek voor sissies zegt de van een besnorde pagekop voorziene naar verschaalde nicotine stinkende universitair terwijl hij zijn trenchcoat aantrekt.

Wat ben ik blij om een soulsissie te zijn.

Intussen ligt de tijd der muzikale meningsverschillen alweer even achter ons. Na de bacchanalen in Leuven, de hoofdpijn in augustus en de verloren vakantieliefdes in de vorm van met epauletten en kanten bloezen behangen slagroomtaarten die als enige meerwaarde het beroep van vader kunnen voorleggen,  is het tijd om een straathoek te kiezen, de gitaarkist open te leggen en de eerste akkoorden van ‘Lola’ van The Kinks door de ether te laten schallen.
Of nog even niet, eerst wat werken als kantoorklerk voor een Brussels schaderegelingbureau. 

Waarna het besef komt dat Hotel Mama eigenlijk dichterbij Brussel gelegen is dan die Leuvense bierkelders waar intussen al een heel nieuwe generatie zich laat vollopen, Vlaamsche Liederen wauwelend en gehuld in witte schorten met groene petjes op diverse wc potten vol kotsend.
Een nieuwe generatie die Broer nu niet langer beschouwt als mentor, als leider of praeses  maar als oude kleinburgerlijke zak die zichzelf een leven geschonken heeft waarbij het grootste doel het vullen van de zakken van het tweedehandse muffe geruite colbertje is, nog doordrongen van het zweet van de vorige vroegtijdig overleden loonslaaf.

Retour à Hotel Mama dus. Dat was even buiten deze waard gerekend want intussen mag ik ook een stemhok vullen en ik stel parmantig mijn veto tegen het heroveren van mijn verworven terrein met alle gevolgen van dien. 
Zoals een nieuwe schuilplaats moeten zoeken voor mijn Playboys, die stilaan een indrukwekkende verzameling van plakkende playmates  waar ik om hormonale redenen zo aan gehecht ben.
Of het niet meer in alle vrijheid kunnen beluisteren van platen van het STAX soullabel. 

‘Ach’, zegt Mama Bourgeoise, ‘waarom zoek je geen flatje in de buurt? Dan mag je gerust nog af en toe komen eten en bij die gelegenheid je was afgooien.’
Dat laat Broer zich geen twee keer zeggen en binnen de kortste keren mobiliseert hij god en klein broerke om zijn nieuw gevonden huurflat te komen bewonderen. In ware commandostijl toont hij parmantig wat er in iedere kamer moet gedaan worden. Bed ineen vijzen, kast opzetten, muren schilderen … 

Dat laatste wordt mij toebedeeld. Een opdracht waar ik niet onverdeeld gelukkig mee ben aangezien ik nog nooit in mijn negentien jaar lange leven een schildersborstel in de hand had en Broer verwacht dat ik plots even goed presteer als Schildersbedrijf Klein Broerke en Zonen. 

De laatste schurk die het appartement bewoonde, had er niet beter op gevonden om de hele zwik te bezetten met crépi. Dat is verf met dikke brokken in die, eenmaal droog, vooral je elleboog open haalt wanneer je er achteloos tegen schuurt. Met als gevolg rode bloedvlekken op de minuscuul uitstekende puntjes. Dat krijg je er nooit meer af, ze blijven voor eeuwig de stille getuige van tien seconden ergernis.
Een tweede leuke eigenschap van die rotzooi is dat het zo moeilijk overschilderbaar is. Een streek met de rol. Als je van links kijkt, is de zaak mooi gedekt, als je van rechts kijkt, lijkt het alsof je nooit geschilderd hebt.
Dat is vooral spijtig als je de hele muur in één richting hebt geschilderd. Broer komt briesend de kamer binnen en meent dat ik een uitbrander van jewelste verdiend heb.

 Ik meen van niet. Wist ik veel. Kloteverf, klotecrépi en klotebroer. 

Dat hij naar Styx luisterend stikt in de gigantische rookwolk die zijn appartement intussen vult. Wat niet ondenkbeeldig is als je nagaat hoeveel sigaretten hij erdoor jaagt tijdens de inrichting ervan en het feit dat je uit verveling kan sterven terwijl je naar de muziek van Styx luistert.  

Dat denk ik rustig terugfietsend naar Hotel Mama, waar ik seffens terwijl ik een bad neem nog eens lekker een plaat van Mireille Mathieu zo luid door de speakers laat knallen dat onze dove buurman op de muur begint te bonken. Acrylpolis, Adieu! 

Jan Stephorst

woensdag 8 augustus 2012

De nachtvlucht



Ik zit in de werkkamer van papa , het overhemd wat plakkerig met opgerolde mouwen. De muffe geur van verleden genot komt vrij wanneer ik in de papieren op zijn bureau rommel. 

Het is tien over vier in de nacht en voor het enige raam hangt een houten zonnewering die nu vooral het felle maanlicht filtert. Krekels tsjirpen monotoon in de tuin. Ik open in één beweging met  de wijs –en middelvinger even de zonnewering en zie in het maanschijnsel de omtrek van de kruin van de eik die een eindje verderop de grens van de tuin aangeeft.
Muggen beuken onophoudelijk tegen het raam maar ik wil hun herrie niet. Dat ze maar kou lijden in de herfstige tuin en vooral de rust niet verstoren die zich definitief in dit huis heeft genesteld. 

Kinderen zullen hier niet meer geboren worden, laat staan gemaakt. Geen schreeuwerige stemmetjes meer in de gang. Geen uitgehongerde welpen in de keuken die naar vers gebakken pannenkoeken ruikt. Nooit nog tranen om nieuwe schaafwonden of door de zon opgeslokte sneeuwmannen.

Geen gevechten meer om ‘Robbedoes’ als eerste te lezen op woensdag.

Sneeuw zorgt er in de winter voor dat papa niet in Brussel geraakt en dus pijplurkend een Vlaams meesterwerk uit zijn bibliotheek leest terwijl alle bekende kleuren nu plots veranderen.
Blauw is niet gewoon blauw maar felblauw. Groen wordt zwart en tussen de witte grond, de blauwe hemel en de zwarte bomen bestaat enkel nog kinderlijke opwinding.

Gedaan met die tot mislukken gedoemde huwelijken. Gedaan met de protserige familieportretten opgetrokken uit ingehouden haat en schijnheiligheid.
Geen feesten in de boomgaard waar lampionnen zich van boom naar boom slingeren en waar alle neefjes en nichtjes de onschuld van hun zieltjes uitschreeuwen. Het vale licht slaagt er nog net in om de dronken grimassen van nonkels en tantes niet al te fel belichten. 

Komt de ochtend nog? 

Ik weet het niet. 

De oranje nacht maakt nog geen aanstalten om plaats te maken voor overdreven vrolijk tsjilpende vogelsoorten. 

En dat is goed.

Laat de nacht nog maar duren. De nacht mag duren tot het einde der tijden, tot een fel verlichte vliegende schotel in de tuin landt en groene mannetjes uitspuwt. Ik zal hen door de houten zonnewering gadeslaan, kijken hoe ze hun eerste aarzelende stappen op aarde zetten.
Ik zal hen vervolgens verwelkomen met muziek van Edith Piaf en Yves Montand. Ik zal de keukendeur losmaken en mij opsluiten in de werkkamer tot ze hun taak volbracht hebben.
Tot ze mama hebben meegenomen, opgelicht uit haar donkerbruine bed, in haar lichtblauwe nachtkleed zwevend tot aan hun ruimteschip.
Op het moment dat haar in het groene licht bleek weerkaatsend aangezicht in het schip verdwijnt, richten ze zich even tot mij en buigen zachtjes het hoofd vooraleer het bestaan van mama te herleiden tot een dwaallichtje dat uitdooft bij de kruin van de eik.

Doch de groene mannetjes zullen niet komen. Mama is een uur dood en ik moet nog bellen naar de verpleegsters die haar zullen wassen. Het lelijke van de dood wacht nog even op mijn bevel.

Straks worden de bladeren samen met wat spijt en herinneringen bijeengeharkt en dan zal ik alleen zijn, mijn jeugd definitief voorbij en het huis ontdaan van zijn ziel.

Maar, mijn zachtste vriendin, nu kun jij nooit meer denken aan de tijd dat je mama was. Zo mooi en overlopend van liefde en warmte, de lucht zoveel klaarder, de geuren zoveel zoeter. De tijd dat je graag mama was, beladen met allerlei kinderlijke ongemakken maar nog niet belast met de gruwel die het leven zou brengen.

Ik weet wel dat leven ook doodgaan is en zacht en zonder enig geluid scheiden van geliefden maar zullen we toch nog even verder leven en drie minuten lang de dood overwinnen? Allebei samen alsof de dood nooit was en deze koude herfstnacht geen vergetelheid brengt. 
 
Zullen we, tussen de verwijten door van niet geluisterd te hebben, samen nog eens luisteren naar de muziek waar je hart van overliep? Zal ik Piaf, Armstrong, Montand of een bossa nova opleggen? De bossa nova waar je van hield, waar ik van hou. 

Zie je, ik ben nog niet vergeten welk liedje je voor mij zong. 
Het liedje dat over ons gaat, jij hield ervan en ik van jou. 

Ik loop naar papa’s oude draaitafel en leg de plaat op. De klanken sterven uit zoals de zee de voetstappen van geliefden uitwist in het zand. 

Het is weer stil. 
Ik hoor geen Montand meer en geen Piaf. 

Het enige wat ik hoor is de bossa nova van mijn hart dat slaat.

Jan Stephorst

woensdag 25 april 2012

Driemaal is scheepsvet




Baas is steeds uit op koopjes. Zelfs al weet hij niet wat hij met die afgeprijsde rommel aan moet, het feit op zich dat hij iets kan kopen wat in normale omstandigheden tweemaal zo duur is, doet hem de portefeuille openen. Geloof mij, dat alleen al is een uitzonderlijke gebeurtenis.

De gevolgen staan opgestapeld in de loods van de rederij:

Een stofzuiger die water kan opzuigen maar daarbij defect raakte.

Een Aldi fiets met vering die niet ineen te schroeven valt omdat er hier en daar wat onderdelen zijn wegbezuinigd.

Daarnaast een kajak die spijtig genoeg nog nooit het water gezien heeft omdat de opening niet geheel compatibel is met de totale buikomtrek van Baas.

Een kano voor drie personen die het vege lijf van Baas wel kan herbergen. Spijtig dat niemand het aandurft om erbij te kruipen en gezellig samen even een tochtje te pedellen op één of andere rivier.
Dat laatste heeft vooral te maken met de zeer beperkte stuurmanskunst van Baas terwijl hij ervan overtuigd is dat hij de beste stuurman ter wereld is. Bovendien is het geen zicht om aan boord te gaan van een kano die zich vooraan volledig uit het water hijst dankzij het met een groene parka omhulde bebaarde overgewicht dat zich achteraan bevindt.

Voorts ligt er her en der nog een stuk vlaggenmast, een halve hijskraan, de restanten van een vezelplaten cafétoog en dertig rode terrasstoeltjes die beslist hebben om collectief te desintegreren.

Vanavond stap ik door de mistige kou naar het met TL-buizen verlichte kantoortje van de rederij in Temse.

Temse begot. Scoort in combinatie met TL-buizen een 8 op de schaal van Triestig.

Temse, stad van de incontinente prostaatloze grijsaards op damesfietsen, luid kwakend en voorzien van skai fietstassen op weg naar één of ander ziekenfonds.

Stad der melige Radio 2 evenementen, wandeldagen, tuindagen, vaardagen.

Stad waar Baas met alle schepen ligt aangemeerd in de hoop een graantje mee te pikken van het te spenderen verzamelde vervangingsinkomen.

Zijn doelpubliek ligt ruim boven de 50, zelfs boven de 60. Dagtochtje naar het immer opwindende Dendermonde (of all places), Antwerpen waar hij eigenlijk niet mag komen omdat zijn schepen niet gekeurd zijn of Wintam waar dertig jaar geleden een nieuwe zeesluis werd ingehuldigd en waar sindsdien nog steeds geen sikkepit te beleven valt.

Aangepaste toegang voor rolwagengebruikers, zijn favoriete woord in de theatrale folder.
Want geef toe, wie anders is geïnteresseerd in een namiddag op de Schelde drijven en achter bedompte ruiten kwijlend over een lauwe kop fletse koffie zitten luisteren naar een CD van The Strangers die even grijsgedraaid is als de passagiers?

De aangepaste toegang bestaat uit een krakkemikkige stalen plaat opzij van het schip. Pas na het nodige gevloek en getier van de dienstdoende schipper gaat ze piepend en tergend traag op en neer, zijn passagier in het ongewisse latend of het doel zal bereikt worden of hij eerder met rolstoel en al in de Schelde zal plonzen.

‘Het sop in’, zoals de schippers plegen te zeggen.

Of: ’t Scheld’. Waarbij ik niet goed weet of ‘Scheld’ wel de juiste schrijfwijze is. Schippersgewijs is een ‘t’ op het einde ook best mogelijk.

Rolwagengebruikers die vergeten worden op de kaai terwijl ze wild zitten te zwaaien en vanuit hun rolwagen luid roepen naar het zonder hen vertrekkende schip.

Die dan twee uur later drijfnat van de intussen losgebroken regenstorm worden opgehaald om in de geblindeerde laadruimte van één van de bestelwagens vastgesjord alsnog Temse te halen.

Bon. Schippersvergadering dus.

Alles vragen ze in het begin van de avond, een boegschroef, een nieuwe toog, een vaatwasmachine, een nieuw zeil, hydraulische roerbediening … voorzien van de nodige dreigende taal (‘zonder boegschroef zoek je maar iemand anders om met uw oud ijzer te varen’) om toch met niets naar huis te gaan.
Met niets?

Ho maar.

Onderschat ons varend pensioenfonds niet.

François de schipper vertelt even geslepen als gedempt dat het niet zo goed gaat met zijn schoonbroer François.
De collega van François (ook François) beaamt dit en mompelt dat François het schip al verkocht heeft voor de sloop.
Tegen de tijd dat dit gefezel het baasachtige trommelvlies bereikt heeft, beginnen zijn kleine oogjes al te tintelen. Een kleine onopvallende zenuwtrek ter hoogte van zijn linker mondhoek verraadt dat hij Een Plan heeft.

‘En wat gebeurt met de scheepsmotor?’ vraagt Baas langs zijn neus weg.

Het hek is van de dam waarbij niet duidelijk is wie de visser is en wie beet heeft.

‘Ja, die moet eruit want olie en vet willen ze niet hebben in de sloperij’ zegt François zo onschuldig mogelijk.

‘Kunnen wij de motor er niet uithalen en het schip met één van onze schepen naar de sloperij slepen?’ oppert Baas. Deemoedig buig ik het hoofd. Die schippers zijn nog niet van gisteren. Het kost hen zeker geld om die motor er te laten uithalen door de sloperij.
De schurken spelen op de koopjeswoede van Baas om twee vliegen in één slag te slaan.
Schip wordt gratis ontdaan van de ellende.
Schip wordt gratis gesleept naar de sloperij.

Héhé. Straks zal er stevig en triomfantelijk geklonken worden in het café bij Sientje. Daar komt dan later ruzie van over de verdeling van de restant brandstof in de tank.

De redenering van Baas is wel nogal simplistisch.

Simplistisch omdat machinekamers van oude schepen voornamelijk ontworpen zijn voor dwergen (of kinderen of een combinatie van beide). Het ruikt er naar smeervet en dat bevindt er zich doorgaans ook op alles wat je vastpakt.
Het luchtje dat er hangt is meestal even oud als het schip zelf en bestaat uit een mengeling van oliedampen en uitlaatgassen, bijgekruid met de geur van het wakke water dat al dertig jaar in de ruimte onder de motor staat.

Simplistisch omdat het tot dan toe nog niet duidelijk is welke dwergen (of kinderen) dit goedkope motortje er even uit zullen sleuren.

De volgende vrijdag rij ik getooid in mijn vuilste kleren met mijn Citroën Dyane naar Temse om er François op te pikken.

Onze bestemming: het Antwerps Kattendijkdok.
Ons doel: het demonteren van een scheepsmotor.
En dubbele pech: geen enkele bestelwagen van de rederij was nog beschikbaar om de klus te klaren.
Daarom hebben François en ik beslist om de motor die toch goed vierhonderd kilo weegt met de hijskraan over te zetten in het schip van onze rederij dat de sleep zal doen en dat reeds langszij het sloopschip is afgemeerd.

‘Kom gerust met je gewone auto’, verzekerde François mij gisteren aan de telefoon, ‘ik heb enkel mijn gereedschapskoffertje en mijn boterhammendoos mee te nemen’.

Ach François toch, die eeuwige optimist. Dat blijkt onder andere uit het feit dat de kaai die ik net oprij te Temse, over een lengte van tien meter bezaait ligt met materiaal.
Twee ijzeren koffers, twee lange houten balken, drie kettingtakels, koevoeten van twintig kilo per stuk, een frigobox en een bak Jupiler. De achterbank van de Dyane zal in Temse blijven, en gelukkig kan ik het stoffen dak open rollen om de lange balken door te steken.

Echt koud is het niet maar ook niet echt warm. Een muts en handschoenen zijn toch wel noodzakelijk om niet aan het stuur vast te vriezen gedurende de rit met open gerold dak waar de balken nu doorheen steken.
De ijzeren bakken en kettingtakels laten mijn Franse mademoiselle tot op de frêle knieën zakken.

Alsof we midden in een orkaan zitten, brult François ter hoogte van de Kennedytunnel in mijn rechteroor waar we de snelweg moeten verlaten. Niet evident want de balken zitten tussen ons in en bewegen mee.
Bij elke bocht klampt hij zich aan het dashboard vast alsof het de laatste bocht van zijn leven is. Maar dan schuift een balk vervaarlijk richting François en is hij verplicht om met één hand de balk tegen te houden en met de andere het dashboard bijna kapot te knijpen.
Gelukkig ben ik geen kei in liplezen en ik glimlach even terug als ik François’ lippen zie bewegen terwijl de bliksems uit zijn ogen schieten.

François en François staan ons grinnikend op te wachten als we de kaai oprijden.
François, de eigenaar van het sloopschip, komt naar mij toegelopen en schudt mij breed grijnzend de hand.
Het is duidelijk dat het niet evident was om tijdens de beroepsbezigheden op het water zo nu en dan een tandarts op te zoeken. Links onder zie ik nog één bruin stompje staan, een overblijfsel van wat ooit ‘De Laatste Tand’ was in de mondholte van François.

De tijd van toen. Geen tandartsen, geen douche, geen deodorant, geen shampoo en ik vermoed ook geen toiletpapier maar enkel de Scheepvaartkrant van vorige maand waar slechts één blad meer van over was.

En ook geen wasmiddel noch wasverzachter.

Maar wel twee honden, een kat, een cavia, twee papegaaien, een vrouw en twee dochters. Allemaal op tien vierkante meter want groter is een schipperswoning op een spits gewoonweg niet.

Holadiee, dat waren nog eens tijden!

De rolkraagtrui van François staat er nog stijf van.
Van de vetdampen van gebakken vlees uit 1969, links nog een verfklodder uit 1974, rechts boven een versteende snotplek afkomstige van zijn zoon Robbie toen die twee jaar oud was in 1966.
En ook de sigaret die hij rolde in 1983 hangt nog steeds vastgeplakt aan zijn onderlip.
Veel lager durf ik niet te kijken uit angst om enkele ongeboren kinderen tegen de uitgerafelde broek te zien plakken.

We gaan aan boord van het schip en krijgen een lauwe kop koffie aangeboden. Ik durf niet te gissen naar het jaar waarin de koffie gezet is maar dat het dit jaar niet was, is heel erg duidelijk.
Wel leuk, die oude verpakking van de cichorei op de kast. Dateert van net na de Tweede Wereldoorlog volgens mij.
Iets minder grappig als dezelfde verpakking rond gaat en iedereen een flinke lepel bij de koffie doet.

Een half uurtje zwijgen verder, dalen de drie François en ikzelf het laddertje af naar de onderbuik van ’t schip, de machinekamer die er helemaal uit ziet als alle machinekamers op oude schepen, laag en donker, slechts één armtierige lichtpeertje boven de machine en overal vet met de bekende lucht die niet te harden is.

Drie uur acrobatie later, waarbij ik versteld sta van de buigzaamheid mijner gewrichten, is de oude sloerie helemaal los gevezen en bevrijd van al wat haar gedurende zestig jaar op haar plaats hield.

De kettingen hangen op, de takels zijn bevestigd. De machinekamer lijkt eventjes op een doorsnee dark room in de gemiddelde SM club waar zo dadelijk een honderd kilogram zware schippersvrouw in een spannende maillot gehesen ons bij wijze van traktatie elk honderd zweepslagen komt geven.
Gelukkig komt mijn verwachting niet uit, er moet namelijk dringend soep gemaakt worden en er zijn nog prioriteiten in het schippersleven.
Zoals het afstoffen der plastieken bloemen in de schipperswoning. 

We nemen onze posities in om de motor over de houten balken te duwen en te trekken tot in het scheepsruim waar we het monster met de kraan van het andere schip uit kunnen hijsen.

Twee François langs één zijde, ik en François zonder tanden langs de andere zijde. Het is niet anders mogelijk om nu en dan zijn lichaamsdampen te inhaleren waarbij ik mijn best doe om enthousiast  en gemotiveerd te blijven.
Ik tracht mij op de motor te concentreren maar bij elke ‘hey-ho’ krijg ik ongevraagd afwisselend een wolk belegen okselzweet uit 1979 of wat ongecontroleerd gelost methaangas in mijn gezicht geslingerd.

Stilaan schuift het gietijzeren kreng op richting ruim waarbij beetje bij beetje de waterplas met olie –en vetranden van onder de motor zichtbaar wordt. Wat een heerlijke neutrale stank verspreidt die, zeg.
Ik tracht na elke duw aan de motor zoveel mogelijk olieplasgeur te inhaleren door op mijn knieën zittend aan de achterzijde van de motor te gaan duwen.

Bij de laatste ‘hey-ho’ gaat het ineens veel sneller dan voorzien, het gietijzeren gedrocht schiet ongevraagd vooruit over de houten balken, ik duw nog veel te hard, voel plots geen weerstand meer, verlies mijn evenwicht en … 

De schippersvrouw, Françine, kijkt mij vol afgrijzen aan terwijl ze mij oude vodden geeft om het vet en de olie wat uit mijn haar te deppen. Eerder stelde ze voor om mijn hoofd onder te dompelen in een emmer met een mengsel van kanaalwater en Dreft.
Toch maar niet, dacht ik bij mezelf.
Ik ruik enkel nog vet en zure olie en dat is nog steeds een waar genot gezien de minuscule afstand die mij momenteel scheidt van François-met-de-ene-tand.

Even later steekt een andere François zijn hoofd binnen en roept: ‘Helemaal klaar!’

Ik kijk door het scheepsraampje naar de kaai waar mijn Française alweer volledig op de knieën zit.

‘Blijven jullie niet eten? Ik heb verse soep klaar’ nodigt Françine ons nog beleefdheidshalve uit.

Maar mijn baléage met olie en vet zorgt ervoor dat alle drie de François plots een geldig excuus hebben om dringend verder te gaan met de orde van de dag. 

François stapt in en trekt zijn muts bijna tot over zijn neus. Gelukkig staat het dak nog steeds open en terwijl we wegrijden, vraagt hij mij om nog even te stoppen bij ‘Scheepsbenodigdheden François’ waar hij twee loodbatterijen besteld heeft voor zijn schip. En misschien kunnen ze er nog bij …

‘Een geslaagde dag hé?’ brul ik in het linkeroor van François op het moment dat we aan zeventig kilometer per uur en hevig deinend Kennedytunnel in denderen.

Maar François antwoordt niet. Hij zit zwijgzaam ineengedoken en lichtjes groen voor zich uit te staren op zoek naar het licht op het einde van de tunnel.

Jan Stephorst.

zondag 3 juli 2011

Barmoeder


Vrijdagavond. ‘Niet te laat, hé!’ roept moeder mij nog na terwijl ik mijn fiets om acht uur ’s avonds buiten zet.
Wit jeansvestje met de kraag rechtop, spannende bordeaux geribde jeansbroek, ‘All Star’ basketters aan mijn voeten, deze jongen is klaar om zijn ongeduldige hormonen hun uitzinnige gang te laten gaan.

Let’s get some solid rock! Rock and roll is mijn geloof dezer dagen en Dire Straits zijn de hogepriesters van het ogenblik.

Ik fiets veel te snel out in the street naar de zaal waar de laatstejaars hun laatste honderd dagen op school vieren.

En geloof mij, daar zijn we allemaal niet een klein beetje blij om.

Bezweet hang ik het slot rond mijn blitse fiets. Die heb ik vorige week helemaal zwart geschilderd met gele en rode vlammen op het voorste spatbord en de kettingkast.

Een grote chroom koplamp, een dik rood achterlicht en een witte spatlap met de letter ‘B’ op, kwestie van geen twijfel te laten over mijn nationaliteit mocht ik per malheur de grens van ons zielig koninkrijkje overschrijden.

Door al die geschilderde vlammen ben ik nu wel verplicht om steeds aan topsnelheid door de stad te vlammen, frustraties opwekkend bij snorfietsgebruikers en eigenaars van brommobielen die ik gezwind een poepje laat ruiken op het vlak van snelheid.  

Ik loop door de eindeloze gang die toegang geeft tot het fuifzaaltje met de discutabele naam ‘De Barmoeder’. Een baarmoederhals is het inderdaad, die lange gang met daarachter de baarmoeder die reeds tjokvol zit met wriemelend jong zaad en bevallige eitjes.

Ik hoor reeds mijn favoriete muziek dreunen: ‘Tunnel of love’ … ‘And in the roar of dust and diesel’ zag ik Pieter staan.

Hoi Pieter.

Twee pintjes.

TC Matic, ‘Oh la la la’.

En daar zie, de Jo!

Nog twee pintjes.

De Kreuners, ‘Nummer één’.

Karl en Filip komen erbij.

‘Vier pintjes voor de mannen van de zagerij’ roept Filip terwijl hij slechts twee vingers opsteekt. Woeha, de tapkraan met platte hilariteit loopt à volonté.
Hup hup hup, dansen en springen.

Katrien en Ilse, twee moordgrieten, springen mee.
The Rolling Stones, ‘Start me up’. Daar is niet veel meer voor nodig als ik naar Katrien kijk. Mmm.

The Specials, ‘Too much too young’. Het bier beukt als een mini tsunami tegen mijn onschuldige maagwand.

Jo heeft touch.
De bastard, kruipt met Ilse stilletjes weg richting Zachte Zetels, een deel van de zaal waar het plafond te laag is om te dansen en de uitbater gewoon enkele oude salons heeft neergepoot waar je kan tongen en tasten zoveel je wil.

En dan komt het. Het meest afgrijselijke moment en tegelijkertijd het meest cruciale moment van de avond. ‘La Bamba’ knettert door de luidsprekers. Tijd voor de kusjesdans.

Bezweet, half dronken, met een hoofd dat van mijn schouders dreigt te rollen en de onverbiddelijke noodzaak om mijn arm op de schouder van een ander bezweet mannenlijf te leggen terwijl zijn stinkende okselput mijn voorarm dreigt te raken, haak ik in tussen de op hormonen drijvende krankzinnige farandole.

Hopelijk komt er snel een einde aan deze hel, het mag zelfs een schele dikke rosse zijn met een beugel en een bloemetjeskleed die mij uit mijn lijden verlost.

Ze mag  stinken naar de hamburgers met choucroute die ze daarnet aan het kraam voor de baarmoeder tot zich genomen heeft en waarvan de stille getuigen mij onvermijdelijk even breed lachend als zijzelf zullen aankijken van tussen haar beugel.
Want zelfs die geur is aangenamer dan wat er uit de poriën van mijn buurman ontsnapt.   

Tot er plots uit het niets een lang tenger meisje voor mij opduikt. Ze heeft lang blond krulletjeshaar en een rond gezichtje met twee blauwe ogen. Ze draagt muiltjes, onder een kleedje van Laura Ashley.  

Ze verlost mij uit mijn lijden, haalt mij met haar wenkend vingertje uit de cirkel van belegen testosteron, slaat haar arm om mijn hals en geeft me een heel klein lief zoentje op mijn wang.
Het lijkt wel uren te duren, dat zoentje en ik voel haar kleine zachte lipjes als een lief diertje op mijn wang zitten.

De dikke kalende marginaal die elke vrijdag en zaterdag achter de knoppen van de Barmoeder staat, weet wel iets van muziek en timing.

‘On a dark, desert highway
Cool wind in my hair’

Daar staat ze dan bewegingsloos voor mij. Ik sla mijn arm om haar middel en de symbiose is compleet en wederzijds. We zweven boven één tegel van de Barmoeder.

‘The warm smell of colitas
Rising up through the air’

Onze lippen raken, onze lichamen strengelen ineen.
De eerste vrouw uit mijn voorts triviaal bestaan die mij op de mond kust. En hoe!

Twee liedjes verder en we zweven nog steeds boven dezelfde tegel.

‘Angie, where will it lead us from here’.

Iemand raakt aan haar schouder. Een vriendin. Papa staat te wachten voor de deur van de Barmoeder en kijkt elke drie seconden op zijn uurwerk.

Marie Hélène vraagt nog snel mijn adres wat ik zo goed en zo kwaad mogelijk op een doorweekt bierkaartje neerpen.

Samen met mijn 3,5 miljoen teleurgestelde spermatozoïden wuif ik haar uit en zie hoe ze in papa’s knalrode Mercedes 350SL stapt.   

‘Theme for great cities’ van ‘The Simple Minds’ die hun groepsnaam alle eer aandoen.
Ik heb het niet zo voor deze donkere zwartzakkerij maar in dit geval lever ik mij met graagte over aan drieduizend nieuwe vreemde gevoelens die zich als een koekoek in mijn hart genesteld hebben en pogingen doen om de controle over mijn denken volledig over te nemen.

Jan Stephorst

dinsdag 7 juni 2011

VW Kever Cabrio



Feestje. Chic. Good Times. Le Freak. I want your love. One night in a disco on the outskirts of Frisco, I was cruising with my favourite gang …

Ongehinderd door enige gêne beman ik de dansvloer alwaar ik bekken en benen hun gang laat gaan.
Hoge jukbeenderen, zwart krullend haar en azuurblauwe ogen ontsnappen niet aan mijn aandacht.

‘Ofwel ga ik nu en haal ik net de laatste trein, of je brengt mij naar huis’, poneert ze nogal zelfzeker en uitdagend rechtstreeks in mijn buis van Eustachius.

Om drie uur ’s nachts vraagt Ria of ik haar naar huis wil brengen. Op de BSA nota bene. Naar huis, waar is dat huis? Aan zee? Cadzand? Verwacht ze dan dat ik nog helemaal terugkeer ook?
Gelukkig heb ik steeds een tweede helm bij in de lederen zijtas van de BSA.  

Mijn hoogbejaarde legermotor brult tegen negentig kilometer per uur op de E40 richting Aalter. Het gele koplicht telt de witte lijnen, er is geen verkeer en ik bid en smeek de Engelse Motorgoden om mijn diep grommende oliezuiper nu niet in panne te laten vallen.

Ria ’s grootouders hebben een oude Engelse cottage met een klein bed en lakens die naar buiten geuren. Ze verhuisden vorig jaar naar een serviceflat maar het huis staat nog steeds ter beschikking van de familie.
Ik vraag mij af wat iemand als Ria in mij ziet, ik een notoire lelijkerd zonder geld, zonder werk met als enige eigendom een hoop dromen en een olielekkende  BSA met gescheurde kader.

In Amerikaanse weekendfilms uit de jaren zeventig verplaatsen geblondeerde Farah Fawcett klonen zich met een compacte Japanse sportwagen (een Toyota Celica). Ze werken in kantoren waar de Amerikaanse telefoon heel de tijd ringt en waar de IBM typemachines vrolijk ratelen.
Ze luisteren naar muziek van Barry White en zijn plastieken Love Unlimited Orchestra die graag met een strijkkwartet in de regen lopen.   
Ze dragen foute mohair truien met diepe decolletés en ze vallen op geföhnde glimmende mannen in een lichtblauw kunststoffen pak, bruine gebreide das en een snor.
Het zijn smeerlappen die eerst eens ferm hun gang gaan en er ’s ochtends voor dag en dauw zonder scrupules vanonder muizen in hun Mercedes 280SL, een ravage van gekwetste gevoelens en gebroken harten achterlatend.  

De onnozelaars.

Wat is er nu net spannender dan naast een nog onbekende vrouw wakker worden, de gebogen lijn van haar dijen ontwaren en kijken hoe ze zonder gêne en ondergoed naar de douche stapt. Zelfs al is het een fout geföhnde Farah Fawcett trut. 

Het is haar lichaamsgeur die helemaal op jou hangt. Het perspectief van het ontbijt. De zondagochtend in bed rollebollen, levensverhalen vertellen met zicht op de vliegen op het plafond. Haar uitbundige lach.
De witte lakens die nu naar liefde ruiken. Het borrelen van de koffie die doorloopt. De geur van croissants in de oven.
Het opstaan met warrig haar, een geleende wijde pyjamabroek met streepjes die met een touwtje nonchalant vast hangt op je bekken.

Warm, het is warm maar bewolkt en wanneer je het grote raam naar het terras openschuift, komt de zilte zeegeur je tegemoet. Lachende meeuwen scheren over de beukende grijze golven. Een verkouden reus die ademhaalt.

Ontbijt met haar mooie blauwe ogen, brede grijns en korte zwarte krullen die eigenlijk een wasbeurt verdienen. Zomers porselein in zonnige kleuren en zullen we er een dagje van maken?

‘Misschien kunnen we de Kever van Opa nog aan de praat krijgen?’ smeekt Ria mij terwijl haar gezwollen onderlip lichtjes pruilt. 

De garagepoort is de afgelopen twee jaar niet opengegaan. We moeten met een schop het zand weghalen om ze te kunnen openen. De verroeste hengsels piepen en ik baan mij een weg tussen de spinnenwebben en stofnesten. 

Even kijken, batterij aansluiten, oliepeil checken, enkele keren het gaspedaal vloeren en contact. Luid kuchend draait de motor rond maar slaat niet aan. Ik stap uit en loop naar de BSA die buiten op de oprit staat. Busje startpiloot uit de lederen zijtas, in de luchtfilter van de Kever spuiten en nogmaals proberen.

Bang. Een respectabele steekvlam uit schiet uit één van de twee uitlaatbuizen en katapulteert de familie Donkerbruine Huisspin met vrouw en kinderen tot ver buiten de garage.

We rijden langs de dreigend stormachtige kustlijn in Opa’s zilverkleurige Volkswagen Kever Cabriolet. De lak is al een beetje mat uitgeslagen. Hier en daar pelt de vernislaag af als een vervellend reptiel.
Het is eigenlijk een gedeukte rammelende roestbak maar hij past uitermate goed bij mijn ego. De Kever stoot hetzelfde soort van donkerbruin geluid uit als mijn BSA terwijl we naar Breskens rijden.
Ria heeft een oude wollen trui met boothals van haar oma uit de kast gehaald omdat de wind los door het gammele dak van de Kever raast.
De olijfgroene trui is net iets te groot voor haar, hangt een beetje af en ontbloot haar rechter sleutelbeen en schoudertje. Ze zit kaarsrecht wanneer ze het autootje voorzichtig op de parking van de veerdienst stuurt.
Op de veerboot naar Vlissingen staan we in het gangboord wat weg te waaien en gezouten foto’s te nemen. Ria ’s korte rode lederen vestje staat haar zo goed, de nog steeds vettige zwarte krullen dansen in de wind en verbergen nu en dan haar speelse amandelvormige blauwe ogen.

Ga voor de baslijnen, de zware diepe donkerbruine baslijnen die je hoort met je onderbuik en niet met je oren. De totale overgave aan het moment, de hele wereld die rondom ons wegdeemstert, een fait divers, de wereld die er enkel maar is om ons van te bedienen op dit hoogtepunt van wederzijds verlangen.
Daarom zingen die vogels zoveel mooier als je verliefd bent. Of zijn de kleuren van de ondergaande zon zoveel feller en warmer.

In Amerikaanse psychologische drama’s rijden de intellectuele hoofdpersonages in vintage Kevers of Volvo ’s.
Meestal zijn ze flink verroest maar ze herbergen een koppel jonge leerkrachten, hij met een baard en bril in velours colbertje, zij sexy slobber.
Spannende jeans die haar dijen voortreffelijk laat uitkomen onder een slobbertrui met boothals die steeds één van haar frêle schoudertjes ontbloot.

In de Verenigde Staten is het een intellectueel statement om zich in een dergelijk voertuig te verplaatsen.
En ze vallen nooit in panne ook al zijn ze dertig jaar oud wat niet kan gezegd worden van de equivalenten die in het echte leven rondrijden. De deuken die erin zitten, vinden we helemaal niet erg wegens Andermans Deuken en niet De Onze.

Samen gaan ze hun nieuwe toekomst tegemoet in een fantastisch houten herenhuis in Frisco. Die toekomst ligt spijtig genoeg bezaaid met een heel scala aan hindernissen zoals ongewenste zwangerschappen, ideologische verschillen en levensbedreigende ziektes. 
Drama alom want je rijdt niet zomaar ongestraft storingsvrij in San Francisco rond in een fantastische oldtimer.

‘Pannenkoeken’ roept Ria hongerig. Ze gaat aan de slag met twee pannen, bloem, suiker, melk en eieren. Buiten hangt er een stormsfeertje, gitzwarte wolken pakken zich samen en dreigen de wereld te laten vergaan.
Voor het zover is, parkeer ik opa’s kever in de garage, koppel de batterij terug af en snuif de geur van nostalgie op. Een mengeling van muf leder, verstorven canvas, verbrande motorolie en herinneringen aan een fantastische tijd. Vroeger en nu.

Geen heden zonder verleden.

De volgende ochtend dreun ik eenzaam en alleen richting Eigen Bed, volledig voldaan van geuren en kleuren, de BSA discreet grommend tussen mijn benen.
Het regent lichtjes maar dat vind ik niet erg.

Jan Stephorst